Verhogen van de N-efficiëntie is verhogen van de rantsoenefficiëntie, is de koe “natuurlijk” voeren.
1 Een koe is van nature efficiënt
De PMOV aanpak staat voor een natuurlijke aanpak. Bij het deelsysteem dier dient de koe als leidend principe. Dat heeft zijn weerslag vooral in de voeding. De voeding wordt aangestuurd op basis van kennis over hoe en wat koeien onder natuurlijke omstandigheden vreten. Het rantsoen kan dan, vanuit onze huidige beeldvorming, gekarakteriseerd worden als structuurrijk, eiwitarm en energiearm. Dat staat lijnrecht tegenover de manier van voeren die we de afgelopen 30 jaar gewend waren, structuurarm, eiwitrijk en energierijk. Met dit nieuwe voerregiem bewerkstelligt u niet alleen een meer natuurlijke situatie, de dieren gaan ook efficiënter met het aangeboden voer om.
Voor het werken met de rantsoenen op uw bedrijf is de rantsoenefficiëntie het startpunt. Met rantsoenefficiëntie wordt bedoeld het aantal kg meetmelk per kg ds opname. Rantsoenefficiëntie is het aantal kg melk dat de gemiddelde koe produceert per kg ds opname. Er wordt dus niet gecorrigeerd voor lichaamsgewicht en verandering van lichaamsgewicht (groei, slijten). Uit onderzoek blijkt de gemiddelde rantsoenefficiëntie voor Holsteiners ongeveer 1,25 kg meetmelk per kg ds opname te zijn (zie bijlage veeteelt). De variatie in efficiëntie is groot, van 0,75 – 1,75 kg meetmelk per kg ds opname. In eerste instantie gebruikt u de rantsoenefficiëntie alleen maar binnen uw eigen veestapel. Kunt u de eigen koeien efficiënter laten produceren? Daarna kunt u met collega boeren een vergelijking maken. Houd daarbij het aantal dagen dat de koeien in lactatie zijn in de gaten. Oudmelkte koeien produceren efficiënter dan nieuwmelkte.
Een hoge rantsoenefficiëntie biedt de mogelijkheid te werken aan een hoge N-efficiëntie. De N-efficiëntie op dierniveau is als volgt te berekenen:
N-efficiëntie = N in melk/N in voer * 100 in % =
= (Kg melk * % eiwit in de melk) / 6,38) / (Kg ds opname * % eiwit in rantsoen / 6,25) * 100 in %. Dit is voor uw bedrijf reeds gedaan door Hans Dirksen.
2 Structuur, energie en eiwit in rantsoenen
Als u overweegt meer structuur te gaan voeren aan uw koeien kunt u kiezen voor structuurrijk, eiwitarm en energierijk of voor structuurrijk, eiwitarm en energiearm. De meeste veehouders kiezen eerst voor de eerste optie en pas later voor de tweede. Meer structuur in het rantsoen maakt het rantsoen trager. Als er dan geen snelle component in het rantsoen zit, daalt de melkproductie. Als u de productie op peil wilt houden en toch meer structuur wilt voeren moet het rantsoen voldoende snel blijven. Dan krijgen de koeien een hogere rantsoenefficiëntie en N-efficiëntie zonder dat de productie onder druk komt te staan.
In grote lijnen zijn er 3 typen rantsoenen te onderscheiden:
- Rantsoenen die eiwitrijk zijn
Traditionele rantsoenen die tot 2002 op de meeste bedrijven werden geadviseerd. In het rantsoen minimaal 18 % ruw eiwit. - Rantsoenen die structuurrijk, eiwitarm en energierijk zijn
Deze rantsoenen zijn na publicaties dat men op de Minderhoudhoeve tot maximaal 150 g ruw eiwit ging in een structuurrijk rantsoen massaal geadviseerd, vanaf 2001. De rantsoenen zijn het eerst overgenomen door voorlopers in projecten als Koeien en Kansen en Praktijkcijfers. Anders dan op de Minderhoudhoeve gaat men echter niet energiearm maar juist energierijk voeren omdat men bang is o.a. productie te verliezen. - Rantsoenen die structuurrijk, eiwitarm en energiearm zijn
Het Minderhoudhoeve en voor een deel de VEL&VANLA rantsoenen. Dit rantsoen heeft op de korte termijn enkele nadelen waar u en de koeien zich overheen moeten zetten. De nadelen op korte termijn zijn; een lagere melkproductie en een lager eiwitgehalte. Zoals gezegd ze spelen op de korte termijn. Op de lange termijn krijgt u andere koeien. Door het andere voerregime komen er binnen de veestapel andere koeien “bovendrijven”. Daar passen andere stieren bij, meer ruwvoerverwerkers. Dat bevordert in veel gevallen de ds opname. De melkproductie komt weer op peil. De totale energieopname neemt toe en dat is gunstig voor het eiwitgehalte in de melk. De vruchtbaarheid verbeterd.
Om uw beslissing nog verder te onderbouwen leest u het bijgevoegde artikel uit Veeteelt (september 1999) over rantsoenefficiëntie. Daaruit zijn aantal factoren te halen waarom ondanks een lage ds opname melkkoeien toch veel melk kunnen geven:
Dieren geven meer melk ondanks het feit dat ze een lagere ds opname hebben omdat:
- Betere benutting in de pens
Er zit een structuurrijke component in het rantsoen. Deze heeft een hoge verzadigingswaarde en een lage afbraaksnelheid waardoor de ds opname beperkt blijft. Deze component zorgt voor mechanische prikkeling en het ontstaan van een goede “matras” in de pens. Door de prikkeling gaan koeien meer herkauwen. De matras zorgt er voor dat het voer langer in de pens blijft. Per saldo wordt het voer dan beter gefermenteerd. Er wordt meer VEM per kg ds benut in de pens. Methaangas wordt opgerispt, vluchtige vetzuren worden beter geabsorbeerd en kleine voerdeeltjes stromen beter door verder het maagdarmkanaal in. - Een betere benutting van de VEM op uier niveau
Door mechanische prikkeling en matrasvorming gaat de koe meer herkauwen. Ze gaat daarvoor het liefst liggen. Als ze gaat liggen komt er een betere doorbloeding van het uier waardoor er meer melkinhoudstoffen vanuit het bloed in het uier en de melk terechtkomen. - Minder verliezen
Als een koe meer ligt te herkauwen is ze rustiger en loopt ze minder. De energie die daardoor verloren gaat is ook minder. Vergelijk dit met de onderhoudsbehoefte van een koe die bij volledige weidegang met 20 % toeneemt. Dat komt overeen met 1000 VEM = 2 liter melk per dag. - Meer VEM per kg ds
De rantsoenen waar dieren een lagere ds opname op realiseerden bevatten meer VEM per kg ds in het toegevoegde mengvoer. Dat zorgt ten dele voor een compensatie van de lagere ds, en daarmee VEM, opname.
- Beoordeel de koeien:
Pensvulling = Appel is veel structuur, peer is te weinig Rug = Gevuld is voldoende energie, scherp is te weinig Achterhand = Hol is te weinig DVE, recht voldoende - Beoordeel de mest op dikte. Dikke mest is veel structuur, dunne mest is veel suiker/zetmeel. Lichte mest is weinig eiwit, donkere mest is veel eiwit. Zie voor deze 2 ook figuur plaatsing van voedermiddelen (Natuurlijk in balans, thema voeding, blz. 17). Consistentie van de mest geeft aan of het rantsoen voldoende gesynchroniseerd is. Gladde mest heeft een goede consistentie. Als er onverteerde delen in de mest zitten kan het zijn dat energie en eiwit niet gelijkmatig over de dag verdeeld gevoerd worden.
- Beoordeel hoeveel tijd de koeien besteden aan herkauwen. Dit is een subjectieve meting maar geeft wel informatie.
- Bepaal hoeveel slagen de koeien maken bij het herkauwen van een bolus. Ideaal is 70 of meer.
- Bepaal hoeveel koeien gemiddeld aan het voerhek staan te vreten. Zijn er koeien aan het voerhek om te vreten of zijn ze aan het selecteren? Vreten de koeien het ruwvoer van boven naar beneden? Ideaal is dat buiten het voerverstrekken 30 % of minder aan het voerhek staat en van de koeien die in rust zijn minimaal 70 % ligt te herkauwen. Belangrijker nog is het aantal herkauwslagen per herkauwbrok. Ongeveer 60 – 80 herkauwbewegingen moeten er per brok gemaakt worden.
Met deze informatie kunt u aan de slag om te bezien of: er meer structuur en/of meer snelle energie en/of meer of minder DVE gevoerd moet worden. Het is aan de veehouder al dan niet met de conclusie aan de slag te gaan. De veehouder beslist!!!
- Veeteelt, september 1999
- Natuurlijk in balans, thema voeding, blz. 17.
- …





{ 1 trackback }