Melk uit ruwvoer kent grenzen

door Dorine Ruter op 1 april 2009

Kengetal rantsoenefficiëntie als maat voor verantwoorde benutting ruwvoer

Alice Booij, Veeteelt, September 1999.

De grote ruwvoervoorraad zal veel veehouders verleiden onbeperkt graskuil voor de koeien te brengen. Productmanager Henry Verwayen en Mees Spoor van Hendrix UTD waarschuwen hiervoor. ‘Hoe efficiënt zijn die laatste kilo’s ruwvoer?’ Oftewel: hoe kunnen veehouders hun super ruwvoer optimaal benutten?

Een koppel koeien dat volgens de droge stof en energieopname 30 liter melk gemiddeld moet geven, maar in praktijk slechts de 20 liter haalt. Welke veehouder kent dit verschijnsel niet? Een kwestie van rantsoenefficiëntie, zo verklaren ing. Henry Verwayen en ing. Mees Spoor van Hendrix UTD dit verschil. Koeien die de verwachte melkproductie niet halen ‘verliezen’ ruw- en krachtvoer op weg naar de melkstal. De onderzoekers van Hendrix UTD zetten de gegevens van 500 bedrijven op een rij en destilleerden hieruit het kengetal rantsoenefficiëntie: het aantal liters melk dat een koe per kilo droge stof opname ruw- en krachtvoer produceert. En met de superkwaliteit ruwvoer die dit jaar onder het plastic zit, is de rantsoenefficiëntie actueel. ‘De hoge opnames aan droge stof moeten ook omgezet worden in melk’, zo geeft Spoor aan.

Verschil

Twintig procent van de bedrijven scoort een efficiëntie van 1.3 tot 1.4, maar de verschillen zijn enorm (zie figuur 1). ‘Koeien met een efficiëntie van 0.8 hebben twee keer zoveel voer nodig om een liter melk te produceren dan koeien die 1.6 efficiëntie scoren’, zo licht Verwayen toe.
In de praktijk betekent ‘het verlies’ een luxe consumptie van enkelvoudige grondstoffen en mengvoer, maar vaker blijkt het te wijten aan een hogere opname van ruwvoer. ‘Geen probleem’, zo zal menig veehouder denken. Daar is tenslotte genoeg van. Toch ligt het volgens Spoor genuanceerder. ‘Het betekent ook meer verliezen aan fosfor en stikstof en dat is ongunstig voor de mineralenbalans. Bovendien komt een gedeelte van het ruwvoer niet terug in de melkproductie.

Figuur 1

Figuur 1

Deze hogere voerkosten betekenen ook een verlies.’ De productmanager rekent voor wat het voordeel voor een veehouder kan zijn als de efficiëntie van zijn koeien van 1.1 verbetert naar 1.3. Bij een quotum van 400.000 liter melk en een voerprijs van ƒ 0,25 per kilo droge stof betekent dit een voordeel van bijna ƒ 14.000,-. Als in dit geval de veehouder ook nog Minas-plichtig is, levert een lager verlies aan stikstof en fosfor ook nog eens ƒ 7.500,- op. ‘Een kostprijsverlaging van vijf cent per liter melk’, concludeert Verwayen.

Verschil tussen bedrijven

Waar komt het verschil in rantsoenefficiëntie vandaan? Hendrix UTD vond bij koeien uit dezelfde veestapel geen extreme verschillen. Dieren die hetzelfde rantsoen kregen en in hetzelfde lactatiestadium verkeerden, varieerden 0.1 tot 0.2 in rantsoenefficiëntie.
Wel gingen nieuwmelkte dieren wat efficiënter met hun ruwvoer om. ‘We hebben voornamelijk Holsteinveestapels bekeken. Over rasverschillen kunnen we niets zeggen’, ligt Verwayen toe.

Tussen bedrijven bleken de verschillen wel groter te zijn. ‘Deze zijn terug te voeren op het management’, zo stelt Spoor. Vooral de opname aan droge stof van ruwvoer vertoonde een duidelijke relatie met de efficiëntie. Deze kan sterk variëren met de manier van toedienen van het rantsoen. Zo krijgen bedrijven met een voermengwagen de meeste droge stof in hun koeien, maar een hogere opname levert een lagere efficiëntie op. ‘Niet al het opgenomen voer zetten koeien om in melk’, zo concludeert Verwayen. ‘Er blijkt nogal een luxe consumptie te zijn.’ Verder onderzoek moet aantonen welke invloed het voeropnamepatroon op de rantsoenefficiëntie heeft.

Opvallend zijn ook de verschillen in productieniveaus op de bedrijven in relatie tot de voerefficiëntie. Hoogproductieve bedrijven nemen in een kortere tijd 3 tot 4 kilo droge stof meer voer op. Maar vooral door meer en intensiever herkauwen maken ze van dezelfde hoeveelheid voer meer melk. ‘Optimaliseer de omstandigheden zodat de koeien ook efficiënt kunnen werken’, geeft Spoor als advies voor de verzorgers. ‘Let op het comfort van de koeien.’

Koecomfort

De mannen van Hendrix UTD noemen een slecht koecomfort als belangrijke oorzaak voor een lagere rantsoenefficiëntie. Gemakkelijk toegang tot het voer, onbeperkt schoon en fris water, maximale ventilatie en de ideale mix tussen liggen, lopen en vreten zijn voorwaarden voor een goed comfort van de koe. Regelmaat en het stimuleren van natuurlijk gedrag blijken een goede invloed te hebben op het rendement waarmee de koe ruwvoer omzet naar melk. ‘Een koe moet liggen of vreten’, zo omschrijft Verwayen kort. ‘In een goede stal loopt een koe zo weinig mogelijk.’ Concurrentie aan het voerhek, waterbakken met te weinig capaciteit of pootbroblemen zijn allemaal oorzaken van een te lage voerefficiëntie. Ook later of vroeger melken dan gebruikelijk verstoort de koe in haar ritme. Vooral vaarzen zijn hier gevoelig voor.

Maïs optimaal

Naast een verbetering van het koecomfort houdt de balans in het rantsoen volgens Verwayen sterk verband met de voerefficiëntie. Hun onderzoek toonde bijvoorbeeld aan dat een rantsoen met eenderde maïs het meest efficiënt werkt. ‘Drie tot vijf kilo droge stof maïs per koe. Als dit meer wordt, lijkt de efficiëntie af te nemen’, meent Verwayen. Ook de hoeveelheid ruwvoer in het rantsoen vertoont deze ontwikkeling. Niet de maximale hoeveelheid ruwvoer, maar de optimale droge stof opname levert de beste efficiëntie. ‘Vooral als we het super ruwvoer nemen dat dit jaar onder het plastic is gekomen’, voegt Verwayen toe. ‘Dit stelt extra eisen aan het rantsoen om een hoge efficiëntie te halen.’

Voor een hoge rantsoenefficiëntie is een optimale penswerking belangrijk. Structuurwaarde en verteringssnelheid noemen Spoor en Verwayen van belang voor de penswerking. ‘Structuur is voor veel graskuilen dit jaar de beperkende factor.’ De celwandfracties (NDF, ADF en ADL) die dit jaar door de bedrijfslaboratoria bepaald worden, kunnen hier extra informatie over geven. De structuurwaarde heeft alles te maken met de taaiheid en prikkeling van het ruwvoer, zo omschrijft Spoor. De hoeveelheid ruwe celstof en celwandmateriaal (NDF) op zich geven dan onvoldoende informatie. ‘Veel NDF is razendsnel fermenteerbaar en geeft nog geen structuur. Wij baseren de structuurwaardering op de opbouw van de celwanden; de verhouding ADF/NDF en ADL.’ De graskuilen combineren met grovere kuil, snijmaïs, luzerne of gesneden stro zijn opties om de verteerbaarheid van het rantsoen te vertragen.

Naast de structuurwaarde vraagt ook de suiker in de graskuil aandacht. Het op een juiste manier inschatten van de verteringssnelheid van het voer is belangrijk om goede producties te combineren met hogere rantsoenefficiënties. Suiker in graskuil kan een hogere verteringssnelheid geven waardoor de kans op pensverzuring toeneemt. ‘Hoge suikerpercentages zien we dit jaar niet alleen in droge, maar ook in minder droge kuilen’, zo licht Verwayen toe. ‘We nemen dit met NDF en de verhouding NDF/ADF en ADL mee bij het inschatten van de verteringssnelheid.’

Veel ruwvoer en weinig krachtvoer voeren deze winter, luidt het devies. Maar een hoge droge stof opname mag geen doel op zich zijn vindt Verwayen. ‘Dan is de kans groot dat de efficiëntie afneemt. Onze graskuilen lijken dit jaar meer op krachtvoer. Dat vraagt toch een andere benadering.’

MAATREGELEN:

  • Koecomfort – Gemakkelijk toegang tot het voer, onbeperkt schoon en fris water, maximale ventilatie en de ideale mix tussen liggen, lopen en vreten zijn voorwaarden voor een goed comfort van de koe.
  • Balans in rantsoen – Een rantsoen met eenderde maïs werkt het meest efficiënt. ‘Drie tot vijf kilo droge stof maïs per koe. Als dit meer wordt, lijkt de efficiëntie af te nemen’. Ook de hoeveelheid ruwvoer in het rantsoen vertoont deze ontwikkeling. Niet de maximale hoeveelheid ruwvoer, maar de optimale droge stof opname levert de beste efficiëntie.
  • Penswerking – Voor een hoge rantsoenefficiëntie is een optimale penswerking belangrijk. Structuurwaarde en verteringssnelheid lijken van belang voor de penswerking. Graskuilen combineren met grovere kuil, snijmaïs, luzerne of gesneden stro zijn opties om de verteerbaarheid van het rantsoen te vertragen. Naast de structuurwaarde vraagt ook de suiker in de graskuil aandacht. Suiker in graskuil kan een hogere verteringssnelheid geven waardoor de kans op pensverzuring toeneemt.

 
MEER LEZEN:

  • Bestel dit artikel  via het online archief van Veeteelt (WUR Library)

DOORVERWIJZINGEN:

Laat een comment achter

{ 2 trackbacks }