De kringloopaanpak wordt met verschillende namen aangeduid zoals: het natuurlijk kringloop systeem, de PMOV aanpak, of het Bodem-Plant-Dier systeem. Het is ontstaan vanuit zorg over de achteruitgang van de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, door het intensieve gebruik van kunstmest en krachtvoer. De mineralen verdwenen vaak weer door extra ammoniak uitstoot of nitraatuitspoeling in de bodem. Er was alles behalve sprake van een gesloten kringloop.
De mineralenkringloop op een melkveehouderijbedrijf kent vier schakels: het dier, de mest, de bodem en het ruwvoer. Dit zijn schakels die zich allen binnen het bedrijfssysteem afspelen, waarin de boer centraal staat. Daarnaast is er ook sprake van externe input (kunstmest en krachtvoer) en output (melk en vlees). Wordt de bedrijfsvoering vanuit de kringloopgedachte benaderd dan wordt getracht de benutting van de mineralen bij elke schakel zo hoog mogelijk te houden. Hierdoor zijn er minder verliezen en hoeven er ook minder mineralen aan de kringloop toegevoegd te worden uit kunstmest of krachtvoer. Dit is goed voor het milieu en de portemonnee.
Als de bodemstructuur verbetert wordt er meer organische stof opgebouwd, hetgeen zorgt voor een goede voedingsbodem voor het bodemleven. Er zijn verschillende praktische aanpassingen om meer organische stof in de bodem te krijgen, onder andere via:
Rantsoen
Het doel is om een koe weer als herkauwer te gaan voeren, waarbij de pensbacteriën hun werk optimaal kunnen doen zodat de benutting in deze schakel zo hoog mogelijk is. Dit kan bereikt worden door structuurrijk voer te verstrekken en op pens niveau evenwicht te creëren tussen energie en eiwit. Meer structuur in het rantsoen kan bereikt worden door apart structuur toe te voegen door middel van o.a: stro, luzerne, of graszaadhooi. Ook kan het structuuraandeel verhoogd worden door het gras iets ouder te maaien. Als het gras ouder wordt ontstaat er een extra celwand, waardoor het vezelrijker wordt. Deze extra ruwe celstof zorgt voor extra herkauwactiviteit. Daarnaast blijft dit moeilijk verteerbare materiaal langer in de pens aanwezig dan snel verteerbaar voer. De energie komt hieruit langzamer beschikbaar voor de pensbacteriën. Naast het reduceren van het totaal ruw eiwit gehalte dient er vooral een beperkte hoeveelheid pensonbestendig eiwit gevoerd te worden, niet meer dan er benut kan worden.
De koe
De veranderde voeding heeft op een aantal processen in de koe zijn uitwerking. Het structuurrijkere voer zal een lagere verteringssnelheid hebben en langer in de pens blijven. Hierdoor zal een goede structuurlaag in de pens aanwezig zijn, waardoor meer penswerking optreed. Doordat de vertering niet al te snel verloopt wordt er geen melkzuur gevormd, waardoor de pH in de pens op peil blijft. De pens pH wordt nog eens extra op peil gehouden door de extra herkauwactiviteit die nodig is bij de vertering en waarbij pH verhogend speeksel wordt geproduceerd.
Als er minder onbestendig eiwit in de pens beschikbaar is dan komt de verhouding tussen energie en eiwit in de pens vaak meer tot elkaar in verhouding. Hierdoor is er voldoende energie om het onbestendig penseiwit, in de vorm van ammoniak, om te zetten in microbieel darmverteerbaar eiwit. Er treedt als het ware een schonere verbranding op, waardoor er minder ammoniak afgevoerd hoeft te worden naar de lever. In de lever wordt ammoniak omgezet naar ureum. Dit ureum wordt afgevoerd via urine, melk en speeksel. Als er door een structuurrijk rantsoen extra herkauwactiviteit wordt gerealiseerd kan er via het extra speeksel meer ureum herbenut worden.
Als de koe een overdaad aan ruw eiwit gevoerd wordt zal dit niet allemaal benut kunnen worden. Hierdoor komt er meer stikstof in de mest terecht. Door een koe vezelrijker te voeren komt er meer koolstof in de mest terecht. Als er dus vezelrijker en eiwitarmer gevoerd wordt stijgt de C/N verhouding van de mest.
Bemesting
Ook bij de bemesting is het de doelstelling de benutting zo hoog mogelijk te krijgen. Het uitgangspunt bij de bemesting is de eigen (drijf)mest met een hoge C/N quotiënt. De koolstof kan in de bodem vastgelegd worden in het organische stof. Bodem met een hoger organisch stof gehalte zijn een betere voedingsbodem voor het bodemleven. De bacteriën in de bodem zijn zowel koolstof als stikstof nodig om organisch materiaal goed af te kunnen breken en beschikbaar te maken voor de planten. Door een rijke stikstofbemesting is koolstof vaak de beperkende factor.
Bodem
De bodem is binnen het kringloopsysteem een schakel die meer aandacht verdiend dan het gemiddeld genomen op een melkveebedrijf krijgt. Een actief bodemleven draagt bij aan een efficiënte omzetting van voedingsstoffen. Een bodem met een goede bodemstructuur is in staat allerlei stoffen (o.a. stikstof) aan zich te binden. Hierdoor blijven de stoffen beschikbaar voor de plant en spoelen ze niet uit. De structuur in de bodem wordt bepaald door het klei-humus-complex . Het klei-humus-complex bestaat uit lutum (kleihoudende gronden) en humus (volledig omgezette organische stof). Het percentage organische stof kan verhoogd worden door extra koolstof toe te voegen. Dit kan bereikt worden door mest met een hogere C/N quotiënt. Op deze manier ontstaat er uiteindelijk extra klei-humus-complex. Dit houdt meer voedingsstoffen vast in de bodem. Hierdoor ontstaat een actiever bodemleven dat deze voedingsstoffen om kan zetten in voor de plant opneembare voedingsstoffen. Een actief bodemleven is te herkennen aan een groot aantal regenwormen.
De opbouw van organische stof in de bodem gaat erg langzaam. De achteruitgang ervan kan overigens erg hard gaan door netto mineralisatie. Dit komt doordat er meer organisch stof als voeding wordt gebruikt dan dat er nieuwe organische stof wordt vastgelegd. Op deze manier wordt de bodem uitgemergeld. Er kan jaren overheen gaan voor dat het verschil weer is aangevuld. Duurzaam bodemgebruik is daarom erg belangrijk.
Verwante artikelen:



{ 3 trackbacks }