Verslag Winter Workshop ‘Verhoog Kvem benutting en bespaar op krachtvoer’ d.d 10 januari 2012

door Marijke Meijer op 19 januari 2012

De projectleider van Duurzaam Boer Blijven in Drenthe, Henk Kieft, opende de avond met een paar woorden over het project. De kern is het versterken van de kringloopaanpak in de melkveehouderij. Daarom was het een mooie verrassing om een van de mensen van het eerste uur te gast te hebben:  Jaap van Bruchem.

Organische stof
Martien de Haas van het NMI nam de aftrap en begon met de noodzaak van een duurzame bodem voor de melkveehouderij. De aanwezigheid van voldoende organische stof in de bodem is daarvoor heel belangrijk. Organische stof komt voor in biologische en in chemische en fysische vorm en ze zijn allemaal nodig voor een goede bodemkwaliteit. Een goede bodemkwaliteit is het vermogen van een gezonde bodem, om op lange termijn voldoende nutriënten, vocht en lucht te leveren voor een goede gewasproductie en met lage verliezen naar het milieu.

De functie van organische stof:

  • Nutriënten Leverend Vermogen NLV
  • Kationen uitwisselcomplex CEC
  • Vochtvasthoudend vermogen
  • Structuurvorming

Martien de Haas stelde als vuistregel dat voor elk % organische stof ongeveer 25 kg N beschikbaar komt voor het gewas. Voor elk % organische stof per 10 cm wordt er 4-6 mm water vastgehouden. Dit is voldoende om te voorzien in de verdamping van een extra dag.

Ook liet Martien een kaartje zien van het organische stof gehalte van bouwland en grasland in Drenthe. De percelen bouwland hadden een veel lagere organische stof dan (blijvend) grasland. De verklaring hiervoor is dat de aanvoer van organische stof lager is dan grasland en er meer organische stof verloren gaat door grondbewerkingen.

CEC is het vermogen van gronden om voedingsstoffen en andere kationen (ionen met een positieve lading, zoals N en K en metalen) te binden en ook weer vrij te geven als het gewas erom vraagt. Dit vermogen is voor zandgrond relatief laag en voor veen is dit hoog.

Een optimale pH voor grasland ligt tussen de 4,8 en 5,6. Een optimale pH voor mais ligt bij 5,0. De meeste gronden in Nederland hebben een te lage pH, ze zijn te zuur waardoor voedingsstoffen niet voldoende beschikbaar komen voor de plant.

Martien beschreef een optimale N-bemesting in een vijftal stappen. Verdeel de bemesting over de verschillende sneden. Bemest minder op percelen met een hoog NLV. Houd rekening met de nawerking van mest. Bemest volgens de geplande zwaarte van de snede. En tenslotte: tijdig in het seizoen afbouwen van de bemesting.

Tot slot benadrukte Martien de belangrijke rol van het bodemleven:

  • Afbraak organische stof
  • Opbouw stabiele organische stof
  • Vrijmaken voedingsstoffen uit organische stof
  • Opbouw bodemstructuur, porositeit, slijmstoffen met kitwerking
  • Mengen van bodembestanddelen
  • Ziektewering

Kwaliteit van grassen
Waarom telen we gras in Nederland? Als eerste werd eiwit genoemd, vervolgens energie, structuur en smakelijkheid. Ook heeft Nederland het ideale klimaat voor de productie van gras.

Piet Riemersma van HendrixUTD vertelde over verschillende grasrassen en de voor- en nadelen daarvan. Hij ging ook in op diploïde en tetraploïde grassen. De voordelen van tetraploïde grassen zijn:

  • Vochtiger
  • Hoog aandeel suiker
  • Veel blad, hoge opbrengst

Diploïde grassen zorgen voor meer structuur en geven een dichtere grasmat. Vochtig gras en veel suiker van de tetra’s geeft wel grote kans op pensverzuring. Piet adviseerde 50% tetra en 50% diploïd te zaaien en te kiezen voor mengsels van meerdere rassen. De gedachte hierachter is meer structuur, een betere benutting van het ruwvoer. Rietzwenkgras bijvoorbeeld geeft een goede bijdrage aan de structuurvoorziening voor de koe en geeft langzaam afbreekbare NDF (Neutral Detergent Fiber) dat zorgt voor de matvorming in de pens. Hierdoor wordt het ruwvoer beter benut. Door het zaaien van verschillende mengsels wordt de ziektedruk verlaagd.

Elke 10% klaver in grasland levert elk jaar 30-40 kg N. Om binnen de normen het gras van voldoende voedingsstoffen te voorzien zal de bemesting moeten worden ontleed. Stikstof en fosfaat in het voorjaar, kalium in de zomermaanden en mineralenpreparaten in het najaar. In het voorjaar zijn stikstof en fosfaat belangrijk, omdat de bodem deze dan zelf nog niet kan leveren. Kalium in de zomermaanden is belangrijk om de ziektedruk te beperken. Mineralenpreparaten zijn in het najaar  nodig omdat het gras dan onvoldoende gezondheidsmineralen bevat. Stiksof en fosfaat komen door de opwarming van de bodem in het najaar vrij.

Ook noemde Piet dat een groenbemester eerst doodgespoten moet worden, voordat deze wordt ondergeploegd. Wanneer dat niet gebeurt vindt er een soort inkuilproces in de bodem plaatst. Door te weinig zuurstof verzuurt dan de bodem.

De slotopmerking van Jaap van Bruchem was bemoedigend: de kringloop kan nog veel efficiënter !

 

 

Laat een comment achter